Skip to main content

Als onderdeel van de SPDE-actielijnen, waarin de focus verschuift van planvorming naar uitvoering, organiseren we de Community of Practice (CoP) All-electric voor koplopergemeenten in Noord-Holland. De CoP komt vier keer per jaar samen, met tussentijds een aantal online bijeenkomsten om specifieke vragen en thema’s te behandelen.  Twee weken geleden vond een online bijeenkomst plaats, die in het teken stond van financiering: een uitvoeringsvoorwaarde  voor all-electric wijken. De vraag is niet alleen of bewoners maatregelen kunnen betalen, maar ook wanneer, via welk instrument, met hoeveel risico en met welke mate van ontzorging. Gemeenten spelen een rol in het organiseren van overzicht, begeleiding, vertrouwen en schaal.

De online bijeenkomst begin na een welkom met een expert bijdrage van Richard Kooloos: directeur CE Delft en voormalig directeur Duurzaamheid bij ABN AMRO over financiering voor particulieren bij all-electric. Daarna was er ruimte voor vragen van deelnemers en voor gesprek. Opbrengsten uit beide onderdelen verwerkt in dit artikel. Onderaan deze pagina vind je een Q&A die naar aanleiding van vragen vanuit gemeenten is opgesteld. Hierin vind je aanvullende toelichting en praktische antwoorden op onderwerpen die tijdens en na de bijeenkomst naar voren kwamen.

Richard Kooloos, foto: CE Delft

Niet elke investering past bij dezelfde financiering

Als eerste maakt Richard Kooloos onderscheid tussen verschillende momenten waarop financiering aan de orde is. Bij aankoop van een woning of bij een grote renovatie ligt hypothecaire financiering voor de hand. De bewoner gaat dan toch al een grote financiering aan, waardoor verduurzaming meteen kan worden meegenomen.

Bij bestaande woningeigenaren ligt dat anders. Voor investeringen van bijvoorbeeld 10.000, 15.000 of 25.000 euro is het aanpassen van de hypotheek vaak niet logisch. De vaste advieskosten, mogelijke notariskosten, taxatie en administratieve handelingen maken het voor bewoners relatief duur en omslachtig. Ook voor banken is zo’n beperkte verhoging van een bestaande hypotheek commercieel weinig aantrekkelijk, het proces vraagt veel werk terwijl de extra inkomsten beperkt zijn.

Daarom komen bij kleinere verduurzamingsinvesteringen andere vormen in beeld, zoals een persoonlijke lening, een gemeentelijke lening via SVN of financiering via het Nationaal Warmtefonds. Daarbij benadrukt Richard Kooloos een belangrijk financieel uitgangspunt: financier een maatregel niet langer dan de levensduur ervan. Een warmtepomp die ongeveer vijftien jaar meegaat met dertigjarig hypothecair geld financieren, is onlogisch.

Nationaal Warmtefonds en Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn)

Nationaal Warmtefonds is een belangrijke publieke financier voor energiebesparende maatregelen. Het fonds richt zich op woningeigenaren en Verenigingen van Eigenaren, en biedt onder voorwaarden gunstige financiering. Voor huishoudens met een verzamelinkomen onder de €60.000 is een lening tegen nul procent rente mogelijk. Ook kunnen gemeenten afspraken maken over specifieke doelgroepen.

Gemeenten kunnen daarnaast via SVn leningen aanbieden, vaak met lokale voorwaarden. Het verschil zit niet alleen in rente of looptijd, maar ook in het mandaat. SVn kan breder worden ingezet, bijvoorbeeld bij renovatie, restauratie of funderingsproblematiek. Nationaal Warmtefonds is specifieker gericht op energiebesparing. Voor gemeenten betekent dit dat de keuze tussen instrumenten niet alleen technisch-financieel is. De relevante vraag is: welke doelgroep wil je bereiken, welk type maatregel wil je mogelijk maken en hoeveel lokale sturing is nodig?

Goede begeleiding

Een terugkerend punt tijdens de bijeenkomst is dat goedkope financiering niet automatisch toegankelijk is. Een aanvraag bij het Warmtefonds verloopt via DigiD. Bewoners moeten zelf gegevens aanleveren en documenten uploaden. Voor een deel van de inwoners is dat uitvoerbaar, maar juist voor groepen die ondersteuning nodig hebben, kan het aanvraagproces een drempel zijn. Daar ligt een mogelijke rol voor gemeenten, energiecoaches of andere begeleiders: helpen bij het verzamelen van informatie, uitleggen welke documenten nodig zijn en ondersteunen bij het invullen van formulieren. De aanvraag blijft dan van de bewoner zelf, maar het voortraject wordt minder ingewikkeld.

Daarnaast is voorfinanciering van subsidies mogelijk. Bewoners moeten maatregelen vaak eerst betalen en krijgen subsidie later terug. Dat kan een liquiditeitsprobleem opleveren, ook als de netto-investering uiteindelijk lager is. Volgens Richard Kooloos wordt er op dit moment wel nagedacht over het voorfinancieren van subsidies, zodat bewoners niet tijdelijk het volledige bedrag hoeven voor te schieten. Gemeenten betalen dit voorschot dan uit eigen middelen en innen vervolgens het subsidiebedrag van de ISDE. Het energieloket kan de voorfinanciering regelen voor de gemeenten. In Twentes bijvoorbeeld de ISDE voor warmtepompen voorgefinancierd via het energieloket of energiehuis.

Adviseren vraagt voorzichtigheid

Voor gemeenten is de grens tussen informeren en financieel adviseren cruciaal. Het helpen invullen van een formulier is niet hetzelfde als financieel advies geven. Maar je kan als gemeente niet zeggen welke financiering voor een individuele bewoner de beste keuze is. Je kan wel een overzicht geven van mogelijke financieringsbronnen, voorwaarden, looptijden, bandbreedtes en aandachtspunten. Ook kan je als gemeente uitleggen welke stappen een aanvraagproces kent. Maar zeggen dat Nationaal Warmtefonds beter is dan SVn, of dat een specifieke lening voor een specifieke bewoner de juiste oplossing is, moet worden vermeden,.

Voor de uitvoeringspraktijk betekent dit dat gemeenten heldere protocollen nodig hebben. Energiecoaches en wijkbegeleiders moeten weten welke informatie zij mogen geven en waar financieel advies begint.

Let op: straatcoaches en energiecoaches hebben meestal affiniteit met het geven van technisch advies, dat vinden ze leuk. Van financiering hebben ze minder verstand. Daarom is het slim om een financieel adviseur aan het team van ondersteuners toe te voegen.

Risico

Tijdens de bijeenkomst werd duidelijk dat betaalbaarheid niet alleen een maandlastenberekening is. Zeker voor kwetsbare huishoudens speelt risico een grote rol. Een investering kan op papier rendabel zijn, maar toch spannend blijven als bewoners geen buffer hebben voor tegenvallers. Daarbij speelt nog iets: verduurzaming kan variabele energiekosten omzetten in vaste financieringslasten. Een huishouden kan de thermostaat lager zetten wanneer de energierekening oploopt, maar kan niet zomaar de maandelijkse aflossing van een lening verlagen. Voor financieel kwetsbare huishoudens is dat een wezenlijk verschil.

Ook toekomstige energieprijzen zijn onzeker. Richard Kooloos waarschuwt voor harde beloftes over besparingen. Gemeenten kunnen werken met scenario’s en voorbeeldberekeningen, maar moeten voorzichtig zijn met garanties. De gasprijs, elektriciteitsprijs en beleidscontext kunnen veranderen.

Banken

Banken hebben een groot belang bij verduurzaming van vastgoed. Een groot deel van de Nederlandse bankbalansen is verbonden aan woningen en ander vastgoed. Als banken hun gefinancierde uitstoot willen verlagen, moeten zij dus iets met de verduurzaming van vastgoedportefeuilles.

Daarnaast speelt risicosturing. Duurzaamheidsrisico’s kunnen effect hebben op de kapitaaleisen voor banken. Woningen met slechte energielabels kunnen daarmee financieel relevant worden voor de bankbalans, omdat deze woningen een risico lopen op waardedaling vanwege aangescherpte wetgeving en klimaatdoelen. Dat betekent niet dat banken staan te springen om voor elke kleine verduurzamingsmaatregel een aanvullende lening te verstrekken. Richard Kooloos benadrukt dat banken vooral belang hebben bij verbetering van de kwaliteit van de woning. Daarom zoeken sommige banken samenwerking met uitvoerende partijen en benaderen zij klanten uit hun hypotheekbestand die kansrijk lijken voor verduurzaming. Voor gemeenten kan daar een koppelkans liggen. Banken beschikken over klantrelaties en zouden verduurzaming kunnen agenderen; gemeenten kennen de wijk, de fasering en de lokale uitvoeringsopgave. Tegelijk vraagt samenwerking om zorgvuldigheid rond gegevensdeling en rolverdeling.

Wat kunnen we leren van Denemarken?

Richard maakt in de sessie ook de vergelijking met Denemarken. Daarbij is het belangrijk om onderscheid te maken tussen twee dingen: de manier waarop partijen samenwerken rond woningverduurzaming, en de manier waarop de hypotheekmarkt is ingericht. Daaruit kwam vooral naar voren dat Nederland niet zomaar het Deense hypotheekmodel kan overnemen, omdat banken daar een andere rol hebben en hypotheken via obligaties op de kapitaalmarkt worden gefinancierd. Waar gemeenten wel van kunnen leren, is de meer geïntegreerde samenwerking tussen banken, gemeenten en aanbieders rond de klantreis van bewoners. De les zit dus niet zozeer in het kopiëren van het financieringsstelsel, maar in het beter organiseren van samenwerking, advies, aanbod en uitvoering rondom de bewoner.

Private lease als ontwikkelspoor

In het tweede deel van de bijeenkomst besteden we aandacht aan private lease of vergelijkbare serviceconstructies voor warmtepompen. De gedachte is vergelijkbaar met private lease voor auto’s: de bewoner betaalt een vast maandbedrag en krijgt naast het apparaat ook onderhoud, service en mogelijk monitoring. Voor warmtepompen kan dat aantrekkelijk zijn omdat het om een duur en technisch complex apparaat gaat. Bewoners kunnen twijfelen vanwege onderhoudsrisico’s, storingen, prestaties of onzekerheid over de levensduur. Een lease- of serviceconstructie kan die onzekerheid verminderen. Vooral voor huishoudens die de investering misschien wel kunnen dragen, maar geen grote tegenvaller kunnen opvangen, kan dit relevant zijn. In de bijeenkomst werd private lease daarom niet alleen als financieringsproduct besproken, maar als vorm van ontzorging en risicobeperking. Tegelijk is dit nog geen volwassen standaardoplossing. Er wordt gesproken over de ontwikkeling van een platform met standaardcontracten, digitale ondersteuning en mogelijke aansluiting van fabrikanten of aanbieders. Vragen rond verkoop van de woning, afkoop, overdraagbaarheid, betrouwbaarheid van aanbieders en fiscale behandeling moeten nog goed worden uitgewerkt.

Individueel en collectief

Er is benoemd dat all-electric technisch vaak individueel is, maar organisatorisch collectief kan worden aangepakt. Een warmtepomp staat bij één woning, maar communicatie, inkoop, planning, installatie en financiering kunnen wijkgericht worden georganiseerd. Dat kan schaalvoordelen opleveren. In wijken met veel vergelijkbare woningen kunnen aanbieders efficiënter werken. Installateurs hoeven dan minder tijd te besteden aan losse offertes, klantcontact en planning, en kunnen zich meer richten op installatie. Ook fabrikanten kunnen een grotere rol spelen, bijvoorbeeld door vaste installateurs in te zetten en service centraal te organiseren. Daarbij is wel een kanttekening geplaatst. Voor marktpartijen is een wijk alleen interessant als er voldoende volume ontstaat. Duizend woningen in een gebied betekent nog niet dat duizend bewoners meedoen. Gemeenten moeten dus een aanbod organiseren, maar ook vraag bundelen en bewoners op meerdere momenten activeren, bijvoorbeeld rond natuurlijke vervangingsmomenten van cv-ketels.

Wat betekent dit voor gemeenten?

Uit het gesprek komt naar voren dat gemeenten in de financiering van all-electric wijken vooral een organiserende rol hebben. Niet als financieel adviseur, maar als partij die randvoorwaarden creëert. Dat betekent: overzicht bieden in financieringsroutes, bewoners helpen om aanvragen uitvoerbaar te maken, juridische grenzen bewaken, kwetsbare groepen gericht ondersteunen en samenwerking zoeken met banken, fondsen, fabrikanten en uitvoerders. Ook kunnen gemeenten een rol spelen in vraagbundeling, collectieve inkoop en het vergroten van vertrouwen in nieuwe proposities.

De kern is dat financiering vanaf het begin onderdeel moet zijn van de wijkgerichte aanpak. Niet pas nadat de techniek is gekozen en het uitvoeringsplan klaar is, maar juist als onderdeel van de vraag: hoe krijgen bewoners dit technisch, financieel en praktisch voor elkaar?

Conclusie

De tweede bijeenkomst van de Community of Practice maakt duidelijk dat financiering onderdeel is van de uitvoeringsstrategie.

Voor sommige bewoners is de investering vooral een kwestie van overzicht en timing. Voor anderen is financiering waarschijnlijk noodzakelijk, maar kunnen vaste lasten en risico’s spannend zijn. En voor kwetsbare huishoudens kan een maatregel die op papier logisch is, alsnog problematisch zijn als het aanvraagproces ingewikkeld is of de financiële verplichting te zwaar wordt. Gemeenten kunnen dat niet alleen oplossen, maar kunnen wel het speelveld organiseren. Door financiering, ontzorging en uitvoering samen te brengen, wordt de stap naar all-electric wijken concreter en beter uitvoerbaar.

De volgende (online) bijeenkomst van de Community of Practice gaat , gegeven door gemeente Haarlemmermeer en gemeente Hoorn. In september volgt een online sessie over het ACM-prioriteringskader/de buurtaanpak van Liander. Voor de zomer is er nog een werksessie met het Nationaal Warmtefonds om het proces van financiering voor bewoners makkelijk te maken. De uitkomsten van die sessie zullen we delen tijdens de tweede live bijeenkomst van de CoP in september. Dan bespreken we ook de technische mogelijkheden (Praktijkgids All-electric tijdens netcongestie, zo kan het wel). 

Vragen en antwoorden

Naar aanleiding van deze bijeenkomst zijn er verschillende vragen binnengekomen. De experts van SPDE hebben deze beantwoord en gebundeld in een Q&A. Hierin vind je aanvullende toelichting en praktische antwoorden op onderwerpen die tijdens en na de bijeenkomst naar voren kwamen.

Leave a Reply