Hoe maak je een wijkuitvoeringsplan voor de warmtetransitie zonder dat bewoners het gevoel krijgen dat de uitkomst al vaststaat? In Naarden kiest gemeente Gooise Meren bewust voor een andere volgorde dan gebruikelijk. Warmteregisseur Rinske van Duifhuizen en beleidsadviseur warmtetransitie Benne Holwerda starten niet met techniek of een uitgewerkt plan, maar met een open gesprek in de wijk. Hun doel: samen met bewoners tot een wijkuitvoeringsplan warmte komen, met transparantie en een open gesprek met de wijk als uitgangspunt.
Gesprek eerst
De aanleiding voor participatie binnen het wijkuitvoeringsplan traject is de Transitievisie Warmte uit 2022, waarin voor deze wijk een collectieve oplossing met aquathermie als kansrijk werd benoemd. Over die voorkeursrichting had destijds geen participatie met inwoners plaatsgevonden. Daarom besloot de gemeente het anders te doen. Niet starten met een plan, maar met een open vraag aan de wijk: wat vinden bewoners belangrijk?
De kern van hun aanpak is: geen technische blauwdruk opleggen, maar samen met de wijk onderzoeken, keuzes transparant maken en bewoners daadwerkelijk ruimte geven om te kiezen.
“Bewoners zijn de experts van hun eigen situatie; zij kennen hun woonomgeving het best.”
Wijkdiversiteit

De wijk telt circa 2.200 huishoudens en ongeveer 5.000 inwoners. Bijna de helft van de woningen is in bezit van twee woningcorporaties. De WOZ-waarden liggen gemiddeld lager dan in de rest van de gemeente en de culturele diversiteit is groot. “Wij vinden dat bewoners expert zijn van hun eigen situatie,” zegt Benne Holwerda. “Dat is iets anders dan dat ze alles technisch moeten weten, maar zij kennen hun woonomgeving het best.”
Juist in een wijk met uiteenlopende inkomens, woningtypen en achtergronden is het volgens Holwerda en van Duifhuizen essentieel dat mensen zich serieus genomen voelen. Niet als doelgroep, maar als mede-eigenaar van het proces.
Gouden start
Halverwege vorig jaar startte de gemeente met de eerste fase: individuele gesprekken met woningcorporaties, het buurtplatform KTV (Keverdijk, Thijssepark & Vierhoven), de energiecoöperatie Wattnu, welzijnsorganisatie Versa en interne collega’s. Het doel: vertrouwen opbouwen en samen het proces vormgeven. Uit deze gesprekken is een kerngroep ontstaan die actief meedenkt over de participatie. Een eerste succes was dat bij de gezamenlijke stakeholdersbijeenkomst alle uitgenodigde organisaties aanwezig waren. Het samenbrengen van zowel interne en externe stakeholders bleek een gouden start voor dit project.
Het buurtplatform waar honderden leden en verschillende werkgroepen actief zijn, bleek een cruciale schakel. Hun betrokkenheid vergrootte het vertrouwen in de wijk en hielp bij de toon van de communicatie, kanalen en agendering. De projectnaam ‘Welke warme voor onze wijk?’ kwam uit de wijk zelf.
Trektocht
Het belangrijkste verschil met een ‘normale’ aanpak is dat Van Duifhuizen en Holwerda niet vanuit een technische oplossing vertrokken. In veel gemeenten wordt eerst een plan uitgewerkt en daarna gepresenteerd aan bewoners. Gooise Meren draait dat om.
Door dit samen aan te pakken, ontstaat er een ander soort betrokkenheid. Holwerda: “Als je het vergelijkt met een reis, dan maak je volgens de normale aanpak een volledig verzorgde reis. Alles is geregeld: de bus, het hotel, de bestemming. Maar dan gaan mensen klagen over het eten, de bedden of de buschauffeur. Als je samen een trektocht maakt, voelt dat heel anders. En dat is eigenlijk wat we hier proberen te doen.”
Zo’n trektocht vraagt om voortdurende uitleg, want bewoners zijn gewend dat de gemeente al met een uitgewerkt voorstel komt. “We willen niet dat het een plan van de gemeente is, maar een plan van de wijk,” benadrukt Van Duifhuizen.

Succesvolle bewonersbijeenkomsten
De eerste participatieronde bestond uit vier dezelfde bewonersbijeenkomsten, op verschillende locaties in de wijk, steeds op andere avonden in de week. “Zo maak je het laagdrempeliger en ga je echt naar de mensen toe,” zegt Van Duifhuizen. In plaats van één grote avond werd hetzelfde programma vier keer herhaald, telkens met kleine verbeteringen. Zo kregen bewoners meer kansen om aan te sluiten op een moment dat voor hen paste. Ook de duur bleef bewust beperkt tot anderhalf uur, om de bijeenkomsten toegankelijk te houden. De opkomst was groot, met tussen 50 en 100 bezoekers per avond!

Het succes was geen toeval. Het buurtplatform communiceerde actief en bewoners konden zich vooraf aanmelden en hun vragen insturen. Die vragen werden beantwoord tijdens de bijeenkomsten. Dat zorgde voor vertrouwen, herkenning en eigenaarschap bij de aanwezigen.
Dat de samenwerking met interne en externe stakeholders meer was dan alleen overleg, en heeft bijgedragen aan een sterk begin van dit traject, bleek al snel. Toen tijdens de eerste bijeenkomsten minder bewoners uit de huurdersdoelgroep aanwezig waren, besloot één van de woningcorporaties direct haar huurders actief uit te nodigen voor de volgende avonden.
“Door duidelijke kaders blijft het gesprek over oplossingen gaan.”
Belangrijk was ook het kader van de avond. De gemeente maakte duidelijk dat het gesprek niet ging over óf de wijk van het aardgas af moet – dat is vastgelegd in landelijke en gemeentelijke kaders – maar over hóe dat gebeurt. Dat voorkwam eindeloze discussies over uitgangspunten en hield de focus op de gezamenlijke opgave. “Door duidelijke kaders te stellen voorkom je dat de avond verzandt in discussies en kun je het gesprek richten op wat er wél mogelijk is. Het is geen ‘zij en wij’. We proberen het echt samen met de wijk te doen,” zegt Van Duifhuizen.

Bewonersbijeenkomst Naarden, foto: Gemeente Gooise Meren
Wat er leeft
Tijdens de bijeenkomsten bleek hoe belangrijk het is om écht ruimte te geven aan wat er onder de oppervlakte leeft. Zo kwam bijvoorbeeld regelmatig de vergelijking met een andere wijk in de gemeente naar voren, waar een warmtenet in ontwikkeling is. Sommige bewoners vroegen zich hardop af of de gemeente hier niet stiekem al dezelfde richting op wilde. Door die zorgen serieus te nemen en uit te leggen wat er in die andere wijk is geleerd – en wat hier bewust anders wordt aangepakt – ontstond een constructief gesprek. Ook individuele vragen, zoals wat er gebeurt bij stroomuitval en hoe leveringszekerheid wordt gewaarborgd, kwam omhoog tijdens de bijeenkomsten. Dit was waardevol, niet omdat ze direct tot een technische oplossing leiden, maar omdat ze inzicht geven in onderliggende behoeften aan zekerheid en regie. Juist door dit soort voorbeelden bespreekbaar te maken, wordt zichtbaar wat bewoners écht belangrijk vinden en kan het proces daarop worden ingericht.
De volgende stap
De volgende stap is een gezamenlijke haalbaarheidsstudie, ook deze is dus onderdeel van het participatietraject. Bij de selectie van een extern bureau voor de haalbaarheidsstudie beoordeelden het buurtplatform en de energiecoöperatie alle inschrijvingen mee. Daarna gaat gemeente Gooise Meren samen met inwoners de opdracht voor de studie opstellen. Niet eerst rekenen en dan presenteren, maar samen met de bewoners bepalen welke opties onderzocht worden. “Zowel de technische, financiële als de maatschappelijke en sociale componenten worden hierin meegenomen. Dus dat wordt veel meer een inhoudelijke participatieronde, waarbij we nog actiever de inbreng van de inwoners gaan ophalen,” zegt Holwerda.
De studie moet transparant zijn over doorgerekende oplossingen en gehanteerde criteria. Het proces beweegt van “alle opties liggen open” naar “een beperkt aantal opties blijkt geschikt”. Daarna volgt opnieuw terugkoppeling aan de wijk.
“Je moet heel consequent zijn in je woorden,” zegt Van Duifhuizen. “Als je zegt dat het een gezamenlijk proces is, dan moet je dat ook elke keer waarmaken.”
Wat vraagt deze aanpak van gemeenten?
Een open proces vraagt om meer dan een draaiboek. Ondernemerschap, tijd, flexibiliteit en vooral luistervaardigheid zijn essentieel. “We zeggen vaak dat we de bewoner centraal stellen,” reflecteert Holwerda. “En als je dat echt doet, dan vallen heel veel dingen op hun plek.”
Tegelijkertijd kost deze aanpak tijd, budget en capaciteit binnen de organisatie. Er moet ruimte zijn om gesprekken te voeren, aanwezig te zijn in de wijk en het proces zorgvuldig te begeleiden. Daarnaast vraagt deze manier van werken ook om bestuurlijk draagvlak.
Het belangrijkste advies van Van Duifhuizen en Holwerda aan ‘collega’s’ in andere gemeenten: begin niet met de techniek. Begin met de vraag wat voor wijk je samen wilt zijn. Wees helder over kaders, maar laat de richting niet vooraf vaststaan.
Wie bewoners echt als mede-eigenaar benadert, ontdekt dat de warmtetransitie meer kan zijn dan een technische operatie. Het kan een gezamenlijk traject worden waarin niet alleen een warmteoplossing ontstaat, maar ook het vertrouwen en de gemeenschapszin groeien.
Participatie is natuurlijk lang niet altijd co-creatie, maar in dit geval – waar het over mensen hun eigen huis gaat – kan het niet anders zijn. “Dat de stoplichten blijven werken, dat de gemeente daar verantwoordelijk voor is, daar zal niemand veel participatie op willen plegen. Maar dit gaat over je eigen huis, je eigen gevoel van veiligheid en warmte,” besluit Holwerda.



