Reint Jan Renes (lector Psychologie voor een Duurzame Stad) en Anke van Hal (hoogleraar Sustainable Building and Development) hebben beiden een eigen visie op de energietransitie. Waar Anke vooral uitgaat van een brede integrale aanpak, kijkt Reint Jan hier op microniveau naar. Twee visies, die elkaar goed aanvullen. Samen gaven zij zes sessies om ambtenaren inzichten te geven over de aanpak van burgerparticipatie. In dit artikel blikken zij hier op terug.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De burger en de wijk als uitgangspunt

‘Gemeenten hebben de verplichting om energiestrategie- en wijkuitvoeringsplannen te maken. In de praktijk zie je dat de focus vooral ligt op de financiële en technische aspecten, maar het is vooral belangrijk om bewoners mee te krijgen. Als je daarvan uitgaat, ontstaat er een hele andere dynamiek’, begint Anke van Hal haar verhaal.

 

‘Mijn perspectief is dat we vooral vanuit de gedragswetenschappen naar de energietransitie moeten kijken’, gaat Reint Jan verder. ‘Als je gedragsverandering wilt bereiken, dan moet je dat voorverwarmen. Je moet een vruchtbare bodem leggen om later de resultaten te behalen die je voor ogen hebt. Tijdens de sessies hebben we ambtenaren vooral laten voelen wat de meerwaarde is om de wijk als uitgangspunt te nemen.’

 

‘En hoeveel tijd je kunt besparen’, vult Anke aan. ‘Gemeenten hebben een hoge tijdsdruk om de officiële deadlines te halen. Als je vervolgens op weerstand in de wijk stuit, ben je heel lang bezig om dat weer weg te nemen. Wanneer je in het begin heel zorgvuldig kijkt naar wat er speelt in een wijk en dit samen laat vallen met de energiedoelen, creëer je draagvlak. De kans dat het gehele proces uiteindelijk sneller verloopt, neemt hierdoor aanzienlijk toe. Vertraag dus om te kunnen versnellen en neem de burger en de wijk als startpunt.’

 

Koppelkansen en contact maken

‘Daarbij is het verschil met voorverwarmen dat wij ook kijken naar wat er leeft in een wijk’, vervolgt Anke. ‘Hoe kun je dingen met elkaar combineren? Als er in een wijk een groot parkeerprobleem is en er zijn daar plannen voor een warmtenet, dan kun je het parkeerprobleem gelijk meenemen. De kans op een groter draagvlak neemt daarmee toe. Als je weet wat er speelt in een wijk kun je de energietransitie aantrekkelijker maken door dingen te combineren.’

 

‘Ja, ik vind het mooi dat jij altijd kijkt naar waar de koppelkansen liggen’, stelt Reint Jan. ‘Maar het is ook een kwestie van aandurven om contact te maken met wijkbewoners. Als je als overheid laat zien dat je om je burgers geeft, zijn mensen later ook geneigd om een volgende stap te zetten. Het is een sociaalpsychologisch principe dat mensen gevoelig zijn voor wederkerigheid, maar je ziet dat veel ambtenaren bang zijn om de wijk in te gaan, omdat zij nog geen helder verhaal hebben.’

 

‘De angst om het verkeerde te doen en negatieve reacties te krijgen, is heel groot. Veel ambtenaren hebben het idee dat burgers niet op hen zitten te wachten,’ zegt Anke. ‘Maar we weten in elk geval zeker dat het misgaat als je niet tijdig naar de bewoners toegaat. Tijdens de sessies bleek ook dat enkele ambtenaren al het initiatief hadden genomen om zonder verhaal de wijk in te gaan. En zij hebben overwegend positieve reacties gekregen.’

 

Organisatiestructuren veranderen

Reint Jan gaat verder: ‘Daarbij komt dat de standaard rol van een overheid is dat zij de autoriteit zijn, waarvan mensen graag horen hoe het zit. Als gemeenten naar de mensen toe gaan, dan is dat meestal om uit te leggen wat zij gaan doen. Nu zitten we in een fase, waarin je die rol niet op die manier kunt vervullen. Dat vraagt om een hele andere manier van werken. Als overheid moet je dus veranderen.’

 

Volgens Anke hoeven duurzaamheidsambtenaren niet eens direct de wijk in, omdat daar vanuit het sociaal domein vaak al veel mensen actief zijn. ‘Zij kunnen bijvoorbeeld ook eerst met wijkregisseurs gaan praten. Het probleem is alleen dat de mensen die zich bezighouden met duurzaamheid de mensen uit het sociaal domein vaak helemaal niet kennen. Het bij elkaar brengen van die partijen is alleen al een hele uitdaging.’

 

Reint Jan is het met haar eens: ‘Zo’n vraagstuk vraagt om een integrale benadering. De structuur van zo’n organisatie is daar niet op ingesteld. Om dit te veranderen moet je niet de wilskracht van de ambtenaar centraal stellen, maar als organisatie omstandigheden creëren waarin ambtenaren verplicht worden tot een interdisciplinaire aanpak. Bijvoorbeeld door budgetten op een andere manier vrij te geven.’

 

Samen de energietransitie aanpakken

‘Ja, dat is heel belangrijk’, vindt Anke. ‘Een ander belangrijk punt is dat je de energietransitie aanvliegt vanuit het perspectief dat je de wijk samen toekomstbestendig gaat maken. Dat is iets anders dan wanneer je als gemeente de bewoners gaat overtuigen om hun spaargeld in hun woning te stoppen, omdat de wijk toekomstbestendig moet worden. Het betekent dat je als gemeente verantwoordelijkheden hebt voor de wijk en als woningeigenaar voor je woning. Samen ga je dan aan de slag. Dat is een hele andere insteek.’

 

‘Ik vind het heel fijn dat je dit noemt’, zegt Reint Jan tenslotte. ‘Als overheid moet je dit professioneel vormgeven. Samen is ook echt samen. Dat betekent dat burgers ook de overheid mogen aanspreken. Flexibiliteit naar beide kanten toe. Die wederkerigheid is in dit proces cruciaal. ‘Samen’ is een fundamenteel principe dat je moet operationaliseren door mensen die heel graag met anderen samenwerken in hun kracht te zetten. Met dit soort hoofdpijlers moeten gemeenten hun beleid vormgeven.’

 

Heb je inhoudelijke vragen over dit artikel? Neem contact op met Anke van Hal of Reint Jan Renes.